Interview met Ralf Toevank

Waarom ben je smid geworden?

Toeval. Het vormen van materie en zeker de variatie in het werk trokken mij heel erg. En de manier van werken, je bent zelfstandig. Dat ik bij het beroep van smid uitkwam, is gewoon toeval. Ik zou van school afkomen en wist niet wat ik moest gaan doen. Een man bij de veevoederfabriek waar ik een vakantiebaantje had, zei dat smid wel wat voor mij was. Dus ben ik op een vrijdagmiddag naar een smid in de buurt gereden en hebben we over van alles en nog wat gepraat. Opeens vroeg hij ‘Wat is jouw maat overall, dan kun je maandag beginnen’. Ja dat ging heel gemakkelijk. Ik kreeg een jaarcontract. Maar ja, met een jaar kun je nog niet veel, dan begin je net wat te leren. Toen ben ik bij andere smeden en metaalbedrijven aan het werk gegaan. Vanaf mijn 21e-22e heb ik continu in het smeedvak gezeten.

Maar hoe leer je dat dan? Er is geen smeedschool of zoiets.

Zelf doen. Ik heb bij mijn eerste baas het een en ander gezien, kwam toen in aanraking met het gilde en daar zag ik nog meer. Op een gegeven moment heb ik zelf een smeedvuur en aambeeld gekocht met een paar hamers en tangen. Dan ga je ’s avonds nadoen wat je overdag gezien hebt en je voegt daar je eigen vindingen aan toe. Zo leer je het in de praktijk – net zolang proberen tot het goed is. Daarnaast heb ik enkele cursussen gevolgd, die zijn er wel, hoewel meer voor hobby-smeden. Je moet goed kijken wie les geeft, of dat een oude smid is of zomaar iemand die er aardigheid in heeft. Je leert het meest van de eerste.

Het is best een complex vak, je moet niet alleen veel kunnen maar ook veel weten.

Ik heb een metaalopleiding gehad, MTS Werktuigbouw, en daar zit een hoop materiaal- en gereedschapkennis in. Maar die opleiding is, zeker nu, sterk gericht op het werken met machines. Ik geef daar eigenlijk niks om, ik heb altijd al goede dingen willen maken. Geen standaardspul dat met één druk op de knop in grote aantallen wordt geproduceerd.

Smeden heeft twee takken: het functionele werk en het vrije, creatieve deel. Hoe is de verhouding daartussen?

Het accent op het functionele werk – waar ik m’n geld mee verdien – is zo gegroeid. Mijn oude baas zei dat we in onze eigen tijd van alles mochten smeden en experimenteren, maar dat we overdag gebruiksvoorwerpen moesten maken. Dat is in mijn vak zo, met alleen vrije vormgeving kun je het niet verdienen. Misschien later, je weet het nooit, maar je leeft van het het werk waarnaar gevraagd wordt. Zo leer je het ook. Vrije vorm smeden is eigenlijk het makkelijkste wat er is, want je doet het nooit fout. Maar op maat smeden… Er zijn maar weinig mensen die dingen fatsoenlijk op maat kunnen smeden. Nu komt het niet op de laatste millimeter aan, maar als je 100 meter hekwerk moet maken met 300 krullen erin, dan moeten alle 300 toch gelijk zijn. Tussen de eerste en laatste krul zit natuurlijk altijd wel iets verschil – het blijft handwerk – maar op het oog moeten ze hetzelfde zijn. Dat kunnen leer je niet door vrije vormgeving.

Hoe lang duurde het voordat je bijvoorbeeld een geheng kon maken?

Ik kon het met een paar weken, je moet er feeling voor hebben. Je moet precies hard genoeg slaan om het ijzer op de maat te krijgen; sla je te hard dan gaat het eroverheen en wordt het metaal te dun; sla je te zacht dan moet je te vaak slaan en schiet het niet op. Het doseren van je slagkracht leer je al doende, in het begin is dat het moeilijkste wat er is. Ik heb het liever iets te kort aan de maat want dat kun je oplossen door vaker te slaan. Eenmaal te lang is er weinig meer aan te doen: korter maken is veel ingewikkelder. Je kunt het geheng in het vuur houden en een beetje terugslaan, maar voor je dat goed hebt… Het is niet alleen de lengte, je bepaalt ook de dikte. Precies op de plek waar het te lang is geworden moet je ‘m warm maken, maar bij het terugtikken knikt het metaal naar boven of beneden.

Vind je je vak nog steeds leuk?

Ja, superleuk. Wat ik al zei, het is zo veelzijdig. Zeker als je in de restauratie zit, hoor je de verhalen eromheen en historie heeft mij altijd geboeid. Je komt je op plekken waar niemand komt, je werkt aan dingen waar je normaal nooit aan mag komen: de ophanging van kerkklokken, de haan van de kerk, de wijzers van de klok. Wie komt er nu ooit op de spits van een kerktoren? Nou, ik wel. Ik eet daar mijn broodje en kijk wat iedereen daarbeneden aan het doen is. Dat is hartstikke leuk.

En je staat in een traditie. Af en toe kom je de initialen tegen van vroegere smeden die tientallen en soms honderden jaren eerder aan hetzelfde stuk hebben gewerkt. Dan raakt een vinger uit een ver verleden mijn vinger via de afdruk. Zoals laatst, toen we de letters van de zuivelcoöperatie in Ruinerwold hebben gerestaureerd. Dat ik daar mijn stempel dan ook in mag zetten, is gaaf. Natuurlijk doe je dat op een plek die je niet ziet, maar de volgende smid die ermee aan de gang gaat, ziet het wel.

De kerkkruizen die door ons zijn gerestaureerd gaan er na een jaar of 30 weer af voor onderhoud. Meestal alleen bijwerken en opnieuw spuiten. Je houdt daar geen administratie van bij hoor, maar je ziet het als je weer aan andere delen van de kerk werkt. Bij het restaureren van een kerk ga je van het een naar het ander en als de kraan er dan toch staat…

Hoeveel echte beroepssmeden zijn er eigenlijk in Nederland?

Precies weet ik het niet. Het gilde heeft behoorlijk wat leden, maar daar zitten ook veel hobbysmeden tussen of mensen die het smeden alleen een warm hart toe dragen. Een beroepssmid heeft een kolenvuur of gasvuur, in elk geval werkt hij met hitte en een aambeeld en hamer. Hij doet meer dan gekochte krullen aan elkaar lassen en de naad slijpen. Dat is geen smid, maar een hobbyist. Ik denk dat er 10-15 beroepssmeden lid zijn van het gilde, maar daarnaast heb je ook mensen die – net als ik – geen lid zijn, maar wel vakbekwaam. En er zijn natuurlijk ook veel kunstenaars, vrije vormgevers die met metaal werken, maar dat aantal is niet in te schatten. Het zijn ook geen echte vaksmeden. Een smid kan lassen, maar een lasser kan niet smeden. De meeste kunstenaars kunnen wel wat warm maken en vervormen, maar dat lasapparaat en die snijbrander hebben ze heel hard nodig. Aan de andere kant maken zij dingen die ik weer niet kan maken. Je hebt elkaar nodig, het is een wisselwerking. Ik denk aan techniek en stevigheid en de kunstenaar maakt de mooiste dingen, maar als er een vogel op gaat zitten, valt de zaak bij wijze van spreken in elkaar. Maar door hun creativiteit werk ik graag met ze samen.

Zoeken kunstenaars smeden op met de vraag of deze kunnen maken wat zij hebben bedacht? Bij glasblazen heb je dat.

Zo af en toe gebeurt dat wel eens. Maar het hoeven niet altijd kunstenaars te zijn hoor. Ook de klant kan een eigen ontwerp maken. Als de opdrachtgever zelf een vorm heeft bedacht, bereiken we samen iets moois: zijn of haar tekening gecombineerd met mijn techniek en vakmanschap. Ik kan 35 dingen ontwerpen, maar het is niet voor mijzelf. De opdrachtgever weet niet wat kan of mogelijk is; ik weet niet wat hij of zij precies wil, dus we moeten sowieso om de tafel. Aftasten of we elkaar begrijpen, er moet ook een klik zijn. Het is voor klanten vaak lastig om het eindresultaat te visualiseren en meestal realiseert men zich niet hoe technisch moeilijk het is. Een groot schuifhek moet goed gefundeerd zijn, heeft een motor en tandraderen nodig, de grondrail moet puntig zijn zodat er geen takjes op blijven liggen, het sluiten moet veilig werken en stoppen wanneer er iets tussen komt, er moet verlichting op, enzovoort. Het geheel eromheen moet kloppen en dat heeft op zich weinig met smeden te maken.

Ben je daar uniek in of kunnen alle smeden dat?

Ik heb geen idee. Er zijn er veel die dat uitbesteden aan een aannemer, maar ik hou liever alles in één hand en doe het zelf. Het is mijn klant en mijn verantwoordelijkheid en hoe meer mensen bij een project betrokken zijn, des te moeilijker het wordt. Dat heeft allemaal met ego’s en communicatie te maken. Dan doe ik het liever zelf en duurt het maar wat langer, het gaat mij erom dat je een goed product krijgt. Alle componenten moeten op elkaar passen en in samenhang zijn. Alleen het elektragedeelte besteed ik uit.

Wat vind je het leukste om te doen?

Gehengen maak ik veel, maar vind ik ook leuk. Ze zijn toch elke keer weer net wat anders. Restauratie vind ik eigenlijk het leukst. Je komt dingen tegen waarvan je je afvraagt hoe het mogelijk is dat ze pakweg 150 jaar geleden zijn gemaakt. Zonder stroom, slijptol, of automatische zaag. Hebben ze dat allemaal met een vijltje uit moeten pielen, vraag ik me dan af. Hoe hebben ze dat gedaan? Je komt dingen tegen waar ik de grootste moeite mee heb en waar die gasten er 120 van hebben gemaakt. Petje af. Aan de hamersporen zie je waar ze geslagen hebben, waar ze het materiaal vandaan hebben gehaald en waarheen het gedreven is, dat werk. Het is natuurlijk een verschrikkelijk oud vak en gesmede voorwerpen zijn soms eeuwen oud. Dat is continuïteit. Dat ijzer van vroeger was nog niet zo 100% zuiver als het nu is, er zat allerlei troep en rommel in. Het roest wel, maar minder snel en hard. Daardoor blijft het smeedwerk ook veel langer goed. Je ziet wel eens hekwerken waar helemaal geen verf meer op zit en die toch 30 jaar staan. Totdat de oud-ijzerkerel komt of de mensen zich realiseren dat ze een heel waardevol stukje werk in de tuin hebben staan en ze het de smid laten opknappen. Maar als jij nieuw werk geen behandeling geeft, is het in tien jaar weg.

Zeg je nu dat oud en vervuild ijzer veel minder snel roest?

Ja, het vergaat minder snel. Het roest wel, maar vergaat niet. De onzuiverheden zoals steentjes, fosfor en allerlei andere bestanddelen blijven intact. Die dingen worden er nu computergestuurd uitgehaald.

Kun je dan niet beter oud ijzer kopen?

Soms wel, alleen is dat niet aan de maat. Dan zou ik het eerst helemaal aan de maat moeten smeden en dat is te duur qua uren. Er zijn wel mensen geweest die dat oude ijzer van vroeger, dat puddelijzer, hebben nagemaakt, maar dat procedé is veel te duur en de afname is te klein. Ik koop mijn ijzer gezamenlijk in bij een grote metaalhandel. Je betaalt per kilo maar koopt het in standaardlengtes van zes meter. Ik zaag het ter plekke op lengte, anders kan het niet in de bus of aanhanger. Het is allemaal AB-kwaliteit constructie-ijzer, dat is voor mijn vak prima. Het komt niet op de honderdste millimeter nauwkeurig.

Puddelijzer??? Hoe kwam men daar aan?

Uit oer. Oer is een ijzerhoudende grondsoort, roestbruin van kleur. Hier in de Achterhoek hadden we ooit vier ijzergieterijen omdat er veel oer was. Als de boeren aan het ploegen zijn en er komen van die bikkelharde klonten uit de grond met de kleur van roest, dan weet je: hier zit ijzererts. Via een eeuwenoude techniek kun je daar (smeed)ijzer uit winnen, het zgn. puddelijzer. Maar het is een stevig karwei. Je bouwt een oven met een paar blazers eronder om voldoende hitte en een groot vuur te krijgen. Vroeger ging dat met houtskool en in later tijden werd de puddeloven met steenkool gestookt. Je wast de oer om het te ontdoen van zand en klei en legt het in de vlammen. Het ijzer wordt niet vloeibaar, zoals bij een hoogoven, maar verandert in een deegachtige massa – het puddelijzer – dat vervolgens in de juiste vorm kan worden gesmeed. Ik wil altijd nog een keer een puddeloven bouwen. Je moet dan veel oer verzamelen en heel veel houtskool of steenkool hebben en dan ben je wel 48 uur aan het barbecueën! Dan heb je een klompje ijzer van zo’n centimeter of 20 doorsnede, maar daar zit nog allerlei rotzooi in, steentjes en zand. Die slak moet je allemaal gaan versmeden en dan hou je een klein brokje ijzer over. Dat komt financieel absoluut niet uit, je moet het leuk vinden en er iets speciaals – maar kleins! – van maken.

Moet je je eigenlijk regelmatig bijscholen en waar doe je dat?

Eigenlijk bij het gilde, soms bel ik ze als ik een probleem heb. Maar het wereldje van smeden is zo klein dat je elkaar regelmatig tegenkomt, bijvoorbeeld bij aanbestedingen. Kerkbesturen vragen ook offertes bij je collega’s, dus elke aanbesteding is tevens een reünie. Je hebt altijd mensen die alles voor zichzelf houden en de portemonnee belangrijker vinden dan wat ze opknappen. Er zijn er ook die over en weer delen hoe je dingen kunt aanpakken. Toch wil je ook weer niet te veel vertellen, het zijn ook je concurrenten. Maar als iemand echt in de penarie zit… nou dan help je hem toch gewoon. Ook uit liefde voor het vak of respect voor het oude voorwerp dat gerepareerd moet worden.

Je ziet het niet, maar er zit wel degelijk een holte onder de cirkel

Zo heb ik van een oude baas geleerd om een ondiep holletje in een geheng te maken. Als jij van je natte hand een kommetje maakt en dat tegen een deur zet, wordt alleen de rand van het kommetje nat. Bij een vlakke natte hand tegen de deur wordt een grote plek nat en kan het hout over het hele oppervlak gaan rotten. Ik dacht eerst dat het geheng dan veel te dun werd, maar bij een goede verdeling van de trekkracht kan het. Eigenlijk weet niemand dat, maar het is wel praktisch. Helaas zijn er veel te weinig handboeken voor smeden en veel verzamelaars, en ze zijn ook hartstikke duur. Zo heb je wat de ‘smedenbijbel’ wordt genoemd. Als er daar eentje van op internet staat, valt iedereen erop en gaat-ie voor een vermogen weg.

Je zei iets over aanbesteding: hoe kom je aan werk?

Bij mij gaat het mond-op-mond; ik werk het meeste voor particulieren of boeren die via-via van mij hebben gehoord. De opdrachten zijn heel divers, van het repareren van een kruiwagen tot een groot hekwerk; van open-haardstellen tot grafmonumenten. Ik krijg ook wel opdrachten via een aannemer of mensen die iets bij vrienden, familie of kennissen hebben gezien. En soms via internet, zo had ik laatst mensen die een heel grote vuurkorf wilden.

Hoe lang ben je nu smid?

Vanaf m’n 20e ongeveer, dus nu ruim 20 jaar. De eerste paar jaar met tussenpozen; tijdens crisisjaren ging ik bij een metaalbedrijf werken. Totdat weer een smid opbelde met ‘Joh, ik heb een groot project en iemand voor een half jaar nodig. Heb jij daar tijd voor en zin in?’ ‘Nou ja, als jij huisvesting hebt met een bed en douche en ik kan er koken, dan kom ik wel’. Zo heb ik vrijwel overal in Nederland gewerkt. Op zich is het natuurlijk een bewijs van vakmanschap dat andere smeden mij inhuren.

Hoe lang denk je door te kunnen gaan met dit fysiek zware beroep?

Totdat mijn rug het begeeft, denk ik. Dit is werk waarbij het al mooi is als je aan het einde van de rit genoeg hebt kunnen sparen voor een pensioen, maar zo niet, dan niet. Ik heb geen idee hoe lang ik het kan blijven doen, maar ik hoop nog lang. Ik ken smeden van dik in de zeventig die nog steeds werken, zij het minder uren. Natuurlijk boeten ze in aan spierkracht, maar je hebt ook vrouwelijke smeden. Niet veel, maar toch een paar. Je moet zuinig zijn op je lichaam, daarom hebben we ook smeedmachines en een pers. Als het effe kan, gebruik ik die dingen en smeed ik na met de hamer. Er is tegenwoordig bijna geen smid meer die, als hij een stuk vierkant materiaal van 25 mm heeft, dat allemaal met de hamer uitsmeedt. Dan heb je echt een machine nodig wil je je lichaam niet verslijten. En waarom zou je? Alleen in het begin had ik geen machine, want die zijn best wel duur, dan moet je zien dat je het ’s avonds bij je baas mag doen of het ruwe werk elders en de finishing touch bij jezelf. 

Waar koop je een aambeeld of zo’n smeedmachine?

Er zijn een paar leveranciers, maar ik houd niet van nieuwe spullen, van de wegwerpmaatschappij met snel geld. Vaak heb je een stuk gereedschap dat helemaal niet voldoet aan wat wij willen. Als ik weet dat een smid zijn hele leven met iets heeft gewerkt, dan zal het voor mij ook nog wel kunnen. Het kost wat minder en je hebt een veel betere kwaliteit. Er worden nog wel aambeelden gemaakt hoor, in China wordt alles gemaakt. Daar komen ook de smeedhamers vandaan. Mensen zweren erbij, maar mijn machines komen uit Engeland, goed spul. Verder uit Zweden en Duitsland, drie landen die bekend staan om hun staal en goede gereedschappen.

Dat rek met al die tangen in je smederij, gebruik je die allemaal?

Niet allemaal, sommige heb ik niet gebruikt en worden roestig, dan verander ik zo’n tang zo dat hij precies doet waarvoor ik hem nodig heb. Dat is het voordeel als je smid bent. Als ik iets moet maken voor een klant en denk ‘dat gaat zo niet lukken’ dan moet ik eerst een stuk gereedschap maken. Zoals een tang om iets aparts vast te houden of een doorslag of een apart soort hamer. Bijvoorbeeld eentje waarvan de punt juist een kwartslag gedraaid staat. Maar ja, die moet ik dan wel eerst maken.

Dat uitvinden vind je leuk, en in principe kun je alles maken?

Ja, dat is wel de bedoeling. Dan puzzel ik net zo lang tot ik de oplossing heb. Soms moet je een geheng maken met een figuurtje erin, dan denk je echt hoe krijg ik dat. Dan maak ik eerst een stempel, zodat ik dat figuurtje erin kan ponsen. Dat kan heel pietepeuterig zijn en kan ik er niet met een slijpschijfje of boortje bij. Dan moet je naar de moderne techniek toe, iemand die een draadvonkmachine heeft. Daarmee schiet je eigenlijk hele hete vonkjes op het metaal, die branden het figuurtje of de tekst erin uit. Dan kun je zo’n klein beiteltje maken. Neem nou het slaan van een munt, dat lijkt heel makkelijk maar is het moeilijkste wat er is. Als het maar heel ietsjes scheef zit, zie je het al. Het bewerken van grotere stukken ijzer kost meer kracht en energie, maar is veel gemakkelijker omdat je door de grofheid nauwelijks afwijkingen ziet. Maar als jij met ijzerdraad van een mm werkt, dan zie je elk bochtje en elk knikje. Dus hoe fijner het werk, hoe moeilijker. Ik heb wel eens kandelaartjes moeten maken zo hoog als een aansteker. Dan zit je bij 10 x 3 mm strip. Niet mijn hobby, maar soms moet het. Echt een gepuzzel en je ziet alles. 

Wat me lastig lijkt is dat je – en daar hebben alle vaklieden en ambachtsmensen last van – nooit je uren eruit krijgt.

Nee, dat is best wel frustrerend. Mensen hebben het er niet voor over, terwijl je een Chinees hek in dezelfde periode driemaal moet vervangen. Dan ben je opgeteld hetzelfde geld kwijt. Het zijn niet alleen mijn uren, het is ook het goede materiaal, meestal massief en dan komt de spuiter – die ook niet goedkoop is – er ook nog bij. Een door mij gemaakt hek gaat gegarandeerd 25 jaar mee, dat komt door het denkwerk, de kwaliteit van het ijzer en het smeedwerk zelf, maar ook door het degelijke spuitwerk. Dat is heel wat anders dan poedercoaten.

Soms schaam ik me wel eens als ik met zo’n rekening kom voor zo’n pietepeuterig dingetje, maar dat dingetje gaat wel 30 jaar mee. Mensen kijken naar het absolute bedrag, maar bedenk eens wat daar allemaal voor gedaan is en welke kwaliteit je krijgt. De prijs is eenmalig, de kwaliteit blijft. Je ervaart jarenlang elke keer opnieuw de degelijkheid, schoonheid en kwaliteit, maar denkt niet meer aan de prijs. 

En je moet altijd eerlijk zijn. Ik heb wel eens dat ik onder de offerteprijs blijf en dan zeg ik dat, maar als ik erboven kom, zeg ik het ook. Eigenlijk gaat dat altijd goed, mits je een eerlijk verhaal hebt. Tenslotte heb ik de uren ook gemaakt. Ik heb helemaal niet zo’n hoog uurloon, integendeel, maar je bent zo een uur verder. Als ik alle uren bij elkaar optel, dan zit ik echt in de onderste regionen van verdiensten. En toch hoor je ‘wat kost het veel’. Mensen realiseren zich onvoldoende dat wat ik maak uniek is, maatwerk, origineel en massief. Alles is custom made.

Wat onderscheidt jou van andere smeden?

Nou, dat ik denk ik nog meer klantgericht bezig ben dan andere smeden. Ik ken behoorlijk wat smeden en de ene handelt veel vrijer, de andere is veel botter en velen doen wat zij willen. Ik doe het anders: de klant wil iets zo hebben en ik probeer dat te maken zoals hij of zij het wil. Ook als ze niet beseffen dat het technisch bijna onmogelijk is wat ze vragen. Dan ga ik bedenken hoe het toch kan. Eigenlijk heb ik altijd wel het vertrouwen van de klant. Ik hou ze op de hoogte van wat ik aan het doen ben door bijvoorbeeld tussentijds een foto te sturen. Dat vindt men wel fijn, zeker als het een dierbaar voorwerp is, zoals gebogen deurtjes voor een kachel in een familiehuis. Daarmee ben ik zomaar een dag bezig, klinknagels en zo en alles gebogen is niet simpel. Zo’n kachel is een belangrijk item in het klassieke huis én goede deurtjes voorkomen dat de boel afbrandt. Behalve mooi moet het ook veilig zijn.

En ja, dat meedenken en oplossingen verzinnen, dat heb ik ook van anderen geleerd. Maar soms raffelen die het werk af. Dan wordt een hekwerk afgelast, maar wordt er langs de las heen gepoetst. Dan denk ik ‘die moet je toch even weghalen man, ja, je bent wel een dag langer bezig en het is rotwerk, maar dan heb je wél wat’. Als ik langs mijn werk rijd, wil ik er trots op zijn en denken ‘dat was een mooi ding om te maken’. Da’s een veel betere gedachte dan ‘daar heb ik veel aan verdiend’. Dat laatste komt trouwens ook nooit voor! Slechte kwaliteit is op de lange termijn trouwens de dood in de pot. Eerst zal een leek die slechte las niet zien, maar op den duur gaat het afbladderen en dan herinnert men zich ineens de aankoopprijs wel. Dan kun je beter die Chinees kopen. Je moet je onderscheiden en alle waar is naar z’n geld. 

Zijn er ontwikkelingen in het beroep van smid?

Ook in ons vak is de wet- en regelgeving enorm toegenomen en het is navenant bureaucratischer geworden. Het gaat niet meer om het product, maar om het proces. Alles moet gecertificeerd zijn, niet alleen de smid, maar ook het staal, het gereedschap, het product. Dit balkje moet dat nummertje hebben en dat moet corresponderen met die bon voor deze gecontroleerde las. Vaak is het schijnveiligheid gekocht met over-organisatie. Als ik zoiets moet maken, moet ik eerst zelf worden gecertificeerd, dat kost al zo’n slordige 20.000 euro, dan moet ik alle machines aanpassen zodat er een bonnetje kan uitkomen dat moet worden ingevoerd in een duur softwarepakket en waarom? Opdat iemand met een stropdas die niets van het vak weet, zich kan indekken met een bonnetje per onderdeel, terwijl het geheel niet wordt overzien. Alle verantwoordelijkheden worden doorgeschoven en alles moet risicoloos zijn want o wee, als er wat gebeurt. Ik mag geen nieuw balkon maken, maar ik mag wel een oud balkon uit 1600 restaureren. Als je de juiste vakman voor het juiste werk hebt, gaat er eigenlijk nooit wat mis. Goede smeden maken het allemaal net iets sterker dan nodig is. Er worden regels gemaakt omdat er van de 100.000 metaalbewerkers eentje is die de boel bedondert. Die moet je pakken, niet de rest. En je moet je werk doen en niet wegduiken voor verantwoordelijkheid.